vrijdag 21 augustus 2026

Ik voel hem ff niet.

Ik voel hem ff niet. Vandaag niet, gister niet. Bluuuuuh.


Geen idee waarom precies. Alsof daar een reden voor moet zijn. Alsof je op een ochtend wakker wordt en denkt: zo, vandaag ga ik eens even lekker intens rouwen. Zo werkt het dus niet.


Het gekke is dat het leven ondertussen gewoon doorgaat. En ik blijkbaar ook. Ik lach ook gewoon. Best vaak zelfs. En soms denk ik dan ineens: zie je wel, het gaat goed. Tot het dat niet gaat. Dan mis ik haar. Niet op de mooie manier. Niet met een kaarsje aan en een liedje op de achtergrond terwijl ik liefdevol naar een foto kijk.


Nee. Ik wil gewoon m’n moeder terug.


Ik wil haar iets kunnen appen. Iets totaal onbelangrijks. Een foto sturen van iets wat ik heb gekocht waarvan ik eigenlijk zelf ook wel weet dat ik het niet nodig had. Zeuren over iemand. Vertellen wat er in de winkel gebeurde. Of gewoon even horen wat zij ervan vindt.


En dan realiseer ik me weer dat dat dus nooit meer kan. Nooit meer is trouwens echt een belachelijk concept. Veel te definitief.


We zijn nog even een paar dagen wezen kamperen. Was prima. Zij had het verschrikkelijk gevonden. Niet het kamperen trouwens. Nou ja, waarschijnlijk dat ook. Maar vooral dat ik weg was. Dat vond ze nooit zo’n succes.


En normaal had ik daar waarschijnlijk een beetje makkelijk over gedaan. Mam, we zijn maar een paar dagen weg. Alsof ik aan de andere kant van de wereld zat in plaats van ergens in de Ardennen op een camping. Nu zou ik willen dat ze erover kon zeuren. Raar eigenlijk, welke dingen je gaat missen.


Niet alleen de lieve dingen. Niet alleen de dingen waarvan je van tevoren bedenkt dat je ze gaat missen als iemand er niet meer is. Ook het irritante. Misschien juist het irritante. Dat heerlijke bemoeien. Dat vragen. Dat willen weten wanneer je weer thuis bent. Dingen waar je met je ogen van kon rollen.


Kom maar terug hoor. Bemoei je maar. Ik zal niet eens zuchten.


Bijna twee maanden geleden was ze er nog. Niet zoals ik haar wilde. Niet gezond. Niet thuis. Niet zoals vroeger. Maar ze was er. Ik kon naar haar toe. Ik kon haar aanraken. Ik kon tegen haar praten. En nu kan dat niet meer.


Haar huis is ondertussen bijna leeg. En ik denk dat dat het extra kut maakt. Want toen ze er net niet meer was, was haar huis er nog wel. Haar spullen stonden er nog. Haar kleding hing er nog. Kastjes vol met dingen waarvan je je afvraagt waarom iemand in godsnaam dacht dat ze die ooit nog nodig zou hebben. Dat heb ik blijkbaar niet van een vreemde ;).  Alles stond eigenlijk nog gewoon te wachten op iemand die niet meer terugkwam. De eerste keren dat ik daar binnenkwam, was het nog haar huis. Ze was er niet, maar ze was overal. En nu halen we dat stukje voor stukje weg. Een kast leeg. Een la leeg. Een kamer leeg. Spullen weggooien. Spullen verdelen. Spullen meenemen waarvan ik niet eens wist dat ik ze wilde hebben, totdat de andere optie weggooien was. Nee. Die niet. Die wil ik. Waarom? Geen idee. Omdat hij van m’n moeder was.


Alsof je een heel leven in dozen en vuilniszakken kunt stoppen. Dat kan dus blijkbaar. Maar m’n moeder past nergens in. Natuurlijk weet ik dat ze niet in die spullen zit. Ik weet dat een leeg huis niet betekent dat mijn herinneringen ineens ook weg zijn. Ik weet dat een kast gewoon een kast is en een mok gewoon een mok. Dat hoef je me allemaal niet uit te leggen. Maar toch. Het wordt leger. En daarmee wordt het definitiever.


Straks doe ik voor de laatste keer die deur achter me dicht. En dan is het niet meer het huis van mijn moeder. Dan woont daar straks iemand anders. Iemand die geen idee heeft dat zij daar woonde. Dat ze daar op de bank zat. Dat daar haar spullen lagen. Dat ik daar binnenliep. Dat daar gelachen is en gezeurd. Dat daar koffie is gedronken. Dat daar gewone dinsdagen zijn geweest. Dagen waarop niemand bezig was met kanker. Met doodgaan. Met afscheid nemen. Met morfine. Met uitvaarten. Met huizen leeghalen. Gewoon leven.


Wat zou ik veel overhebben voor nog zo’n doodgewone, totaal oninteressante dinsdag. Misschien is dat wat er nu zo inhakt. De afgelopen weken moet er steeds iets. Eerst was er het afscheid. Daarna de uitvaart. Nu haar huis. Regelen. Opruimen. Bellen. Papierwerk. Beslissen wat blijft en wat weg kan. Ondertussen zijn er kinderen. Een man. Een winkel. Werk. Het leven heeft wat dat betreft bijzonder weinig gevoel voor timing.


Er is altijd wel iets wat moet. Maar misschien wordt het daarna stiller. Misschien komt er daardoor meer ruimte voor het besef dat ze niet gewoon even weg is. Ze komt niet meer terug. Dat wist ik natuurlijk al. Ik was erbij. Ik weet precies wat er gebeurd is. Mijn hoofd snapt het allemaal prima. Maar volgens mij loopt de rest soms een maand of twee achter. Want ergens voelt het soms nog steeds alsof ik haar straks gewoon weer kan bellen. En dan ineens niet. En man, wat vind ik dat kut.


Het voelt soms alsof we haar overlijden langzaam aan het afronden zijn. Uitvaart gehad. Papieren geregeld. Spullen uitgezocht. Huis leeg. Vink. Vink. Vink. Alsof er straks ergens een dossier dicht kan met: zo, klaar. Maar ik ben helemaal niet klaar. Ik wil ook niet klaar zijn. Want hoe rond je in godsnaam je moeder af? Ik hoef er vandaag ook niks moois van te maken. Ik hoef niet te schrijven dat ik dankbaar ben voor alle herinneringen. Dat ben ik heus wel. Ik hoef niet te bedenken wat zij gewild zou hebben. Waarschijnlijk dat ik gewoon doorga. Dat doe ik ook. Ik ga kamperen. Ik werk. Ik lach. Ik maak tegeltjes. Ik bedenk plannen. Ik koop waarschijnlijk dingen die ik niet nodig heb. Ik ben druk. Ik leef.


Maar toch. Ik voel hem ff niet. Ik mis m’n moeder. 

zaterdag 1 augustus 2026

Goedemorgen en twee hartjes poppetjes.

Goedemorgen en twee hartjes poppetjes. Zo begon mijn dag. Jarenlang. Dag in, dag uit. Zo wist ik dat zij de dag was begonnen.


Zaterdag 27 juni kreeg ik mijn laatste slaap lekker hartjes poppetjes. De twee nachten daarna sliep ik bij haar in het Hospice en de 30e blies ze haar laatste adem uit.


Sindsdien is het stil. Maar niet zoals ik dacht. 


Ik betrap mezelf er op. Soms pak ik m’n telefoon. Even een appje doen. Een foto van de kinderen, een klaagzang over wie dan ook of gewoon even vragen hoe het is. En dan, een halve seconde later, weet ik het weer. Dat kan niet meer. Althans, ik kan wel wat sturen, maar ga niks terugkrijgen.


Iedereen pakt zijn eigen leven weer op. En ik ook. Er moeten boterhammen gesmeerd worden. De was blijft zich vermenigvuldigen. De winkel moet open. Je huisje moet leeg.


En ondertussen staat de wereld precies hetzelfde als een maand geleden. Behalve die van mij. Die heeft ineens een gat. Niet een groot zwart gat waar ik voortdurend in val. Dat had ik eigenlijk verwacht. Het zijn juist duizend kleine gaatjes. Bij elk appje. Bij elk succesje. Bij elke tegenvaller. Bij elk moment waarop ik denk: “Dat moet ik even aan m’n moeder vertellen.”


Ik mis haar niet alleen omdat ze mijn moeder was. Ik mis haar omdat ze overal tussendoor zat. Ze wist alles. Van mij, van de kinderen en van iedereen die ik ken. Ik mis het gerinkel van die irritante sleutelhangers aan haar handtas. De klusjes die ze altijd voor Romes verzon. De vraag hoe het op de beurs was, nadat ik bij de groothandel was geweest.


Soms voel ik de mensen kijken, zich afvragen ‘hoe zou het met haar gaan?’ Het gaat goed.

Iemand zei me laatst ‘je hebt de klap al gehad toen je hoorde dat ze ziek was’. En ik denk dat dat wel klopt. Het verdriet begon niet op 30 juni. Dat begon al toen we hoorde dat haar galblaasonderzoek, uitgezaaide longkanker bleek te zijn. Vanaf dat moment ben ik alles nog bewuster gaan meemaken. En na het echte afscheid blijft er nog genoeg over om te missen. 

Ik probeer me vast te houden aan het idee dat zij rust heeft. Pijnvrij is. En dat als er ‘iets’ is, na de dood, ze daar nu feest viert.


Mijn moeder zal altijd aanwezig zijn. Niet meer naast me aan de eettafel of op m’n bankje in het kantoortje, maar in mijn hoofd en hart. Ik zal altijd haar stem horen, ook als het stil blijft.


Je zei het de laatste weken tot mijn grote irritatie regelmatig, maar inderdaad mam; komt wel goed. 


🩷